RESEARCH 02 · SPREIDING & AANDELENSTIJLEN

Verder kijken dan de S&P 500: wat levert spreiding werkelijk op?

17 oktober 2026

Bij Regime Compass zoeken we voortdurend naar mogelijkheden om het rendement van de portefeuille te verbeteren. Daarbij kijken we steeds naar het risico dat daartegenover staat. Hoe sterk schommelt de portefeuille? Hoe diep kunnen verliezen oplopen? En wat voegt een belegging toe aan het geheel?

Vanuit die vragen trok een vergelijking van Eric Nelson, CFA, van Servo Wealth Management mijn aandacht. Hij onderzocht hoe verschillende samenstellingen van Amerikaanse aandelen over een lange periode hadden gepresteerd. Zijn onderzoek vormt de aanleiding voor dit artikel.

De uitkomsten verdienen aandacht. Vooral wanneer je ook de risicocijfers erbij pakt.

Honderden aandelen, maar waar zit het gewicht?

De S&P 500 biedt toegang tot grote Amerikaanse beursbedrijven. De index weegt ondernemingen naar hun voor vrij verhandelbare aandelen gecorrigeerde beurswaarde. Daardoor hebben de grootste bedrijven de meeste invloed op het resultaat.[1]

Dat maakt de index een bruikbare bouwsteen voor Amerikaanse aandelen. Wie daarnaast kleinere ondernemingen of aandelen met een andere waardering wil opnemen, moet de portefeuille verder verbreden.

Nelson laat zien wat zulke aanvullingen in zijn historische vergelijking opleverden.

Verschillende aandelenstijlen combineren

Zijn prestatietabel bestrijkt de periode van 1 januari 1975 tot en met 30 april 2025. Daarin staan de volgende resultaten:[2]

SamenstellingSamengesteld rendement per jaarJaarlijkse volatiliteit
100% S&P 50012,17%15,12%
60% S&P 500 / 40% Small Value14,29%16,26%
30% S&P 500 / 30% Large Value / 40% Small Value14,69%16,91%
30% Large Cap High Profitability / 30% Large Value / 40% Small Value15,17%16,90%

Small Value staat voor kleinere ondernemingen met een relatief lage waardering. Large Value betreft grote ondernemingen met een relatief lage waardering. High Profitability richt zich op ondernemingen met een hoge winstgevendheid. Volatiliteit geeft aan hoe sterk de rendementen schommelen, hier berekend op basis van maandrendementen.

In deze vergelijking leverde het toevoegen van kleine waardeaandelen de grootste eerste verbetering op. De andere samenstellingen verhoogden het historische rendement verder.

Bij de laatste combinatie bedroeg het verschil met de S&P 500 3,00 procentpunt per jaar: 15,17% minus 12,17%.

Daar stond een hogere volatiliteit tegenover: 16,90% tegenover 15,12%, een verschil van 1,78 procentpunt. De bredere verdeling over aandelenstijlen ging hier dus samen met grotere schommelingen.

Een lange indexhistorie is geen fondsresultaat

Voor de interpretatie is het belangrijk te weten waar de cijfers vandaan komen. Nelson vergelijkt indices en samengestelde portefeuilles. De tabel toont geen vijftigjarige praktijkresultaten van concrete beleggingsfondsen of ETFs.

Dimensional vermeldt bijvoorbeeld dat zijn US Large Cap High Profitability Index pas in december 2016 bestond. De eerdere indexresultaten zijn achteraf berekend.[3]

Zo’n reconstructie kan helpen om verschillende marktomstandigheden te onderzoeken. Ze laat alleen niet zien wat een belegger destijds daadwerkelijk met een beschikbaar fonds, na kosten en belastingen, had kunnen behalen.

Daarom zie ik deze cijfers als aanleiding voor verder onderzoek. Een goede historische uitkomst moet vervolgens worden vertaald naar een uitvoerbare portefeuille.

Ook een gespreide aandelenportefeuille kan hard dalen

Naast zijn vergelijking van Amerikaanse aandelenstijlen beschrijft Nelson een bredere voorbeeldportefeuille. Daarin combineert hij 70% Amerikaanse aandelen met 30% internationale aandelen, met nadruk op waardeaandelen en kleinere ondernemingen. De verdeling wordt jaarlijks teruggebracht naar de oorspronkelijke gewichten.[4]

Dat verbreedt de spreiding over soorten bedrijven en regio’s. Tegelijk blijft het een portefeuille die volledig uit aandelen bestaat.

In een andere analyse onderzocht Nelson hoe een gespreide aandelenportefeuille zich sinds 1995 had gedragen. In ongeveer dertig jaar telde hij negentien dalingen van minstens 5%. Bij vijftien daarvan bleef het verlies kleiner dan 20%.[5]

Maar tijdens de financiële crisis van 2007–2009 verloor die portefeuille 58% vanaf haar eerdere hoogste waarde. Van iedere €100 bleef op het dieptepunt dus €42 over: €100 × (1 − 0,58).

Dat laat zien dat ook een portefeuille met verschillende soorten aandelen zwaar kan worden geraakt.

Nelson onderzocht hier een andere portefeuille dan de combinaties in de tabel hierboven. Hoe diep die combinaties tussentijds daalden, staat niet in zijn tabel. We kunnen daarom wel hun gerapporteerde rendement en beweeglijkheid vergelijken, maar niet hun grootste tussentijdse verlies.

De betekenis voor Regime Compass

Binnen Regime Compass willen we begrijpen welke beleggingen elkaar aanvullen en onder welke economische omstandigheden ze kwetsbaar worden. Veranderingen in groei en inflatie vormen daarbij het vertrekpunt van kwadrantbeleggen.

Onderzoek naar waardeaandelen en winstgevende ondernemingen past in die zoektocht. Zulke bouwstenen verdienen aandacht wanneer ze de verhouding tussen rendement en risico kunnen verbeteren.

We beoordelen daarom hun bijdrage aan de hele portefeuille: het rendement, de samenhang met andere beleggingen, de omvang van tussentijdse verliezen en de tijd die nodig is om daarvan te herstellen. Ook kosten en praktische uitvoerbaarheid horen daarbij.

Nelsons vergelijking biedt een waardevol aanknopingspunt. Ze laat zien waarom verder kijken dan één bekende index zinvol kan zijn. Voor opname in Regime Compass willen we vervolgens begrijpen wat een belegging toevoegt, welk risico erbij komt en hoe zij binnen de economische kwadranten past.

Bronnen en toelichting

DFA staat voor Dimensional Fund Advisors, de vermogensbeheerder achter de genoemde Dimensional-fondsen en -indices.

[1] S&P Dow Jones Indices — S&P U.S. Indices Methodology.

[2] Eric Nelson, CFA — vergelijking van Amerikaanse aandelenallocaties, met bijbehorende prestatietabel over januari 1975–april 2025. De cijfers zijn overgenomen uit zijn tabel; de onderliggende berekeningen zijn niet onafhankelijk gereproduceerd. De aangeleverde afbeelding bevat geen volledige toelichting op valuta, kosten, dividendbehandeling en herbalancering.

[3] Dimensional — A Deep Dive into Private Fund Performance, indexdefinities en toelichting op terugberekende resultaten.

[4] Eric Nelson — More Money, More Problems. De hypothetische portefeuille bestaat uit 21% DFA US High Profitability — vóór juni 2017 DFA US Large Company —, 21% US Large Value, 28% US Small Value, 18% International Value en 12% International Small Value, jaarlijks geherbalanceerd.

[5] Eric Nelson — afzonderlijke analyse van beursdalingen vanaf 1995. De genoemde daling van 58% is zijn gerapporteerde uitkomst.

Historische resultaten bieden geen garantie voor toekomstige rendementen. Dit artikel licht portefeuilleonderzoek toe en bevat geen persoonlijk beleggingsadvies.